De Beemster (Joost van den Vondel)

De Windvorst, om den rouw van Hollands Maagd te paaien,
vermits, door storm op storm, zij schade en inbreuk lêe,
schoot molenwieken aan en maalde, na lang draaien,
den Beemster tot een beemd, en loosde ’t meir in zee.
De zon verwonderd zag de klai nog brak van baren
en droogde ze af, en schonk ze een groenen staatsiekeurs,
vol bloemen geborduurd, vol lovren, ooft en airen;
en, tooiende heur hair, bestrooide het vol geurs.
De room- en boterbron kwam uit haar borsten springen.
Het vissig lijf werd vlees, nog maagd en ongerept.
Haar voorhoofds torenkroon kwam door de wolken dringen,
gelijk gemeenlijk weelde in hoogheid wellust schept.
Hier jaagt de windhond ’t wild. Hier rijdt de koets uit spelen.
Men danst, men banketteert in ’s koopmans rijke buurt.
Hier lacht de goude tijd, in lieve lustpriëlen,
die voor geen oorlog schrikt, noch kiel op klippen stuurt.
Verzier van Cypris, hoe zij Cypers kwam bekoren:
ik weet dat dees Godin uit zeeschuim is geboren. 

 

HOME I MISSIE I PROJECTEN I BOEKWINKEL I PARTNERS I
CONTACT
Terug naar boekwinkel
STICHTING
ACHTERLAND