Meimorgen in Limburg (Jan Engelman)


Begraaf mijn hoofd in bloemen en verwoest mijn mond:
de morgen schuimt als wijn, de felle hanen kraaien
gelijk voor duizend jaar, en zie ik ben gezond
als d'akkerman die glanzend koren staat te maaien.

Het lauwe bed staat tegen, koele waters doen
het huivrend lijf in zachte zilverscheuten blinken,
wij fluiten Mozart, eten langzaam onder 't groen
des notelaars die trilt van liederen en van vinken.

De heuvels zwellen als de borsten van een bruid,
daarboven staat een oud kasteel vergeefs te dromen,
de aarde orgelt, iedre wegelkant is luid
van bijenzwermen en draagt witte bloesemzomen.

Maar op den top - twee zaligen van zon en blauw,
twee voorjaarskinderen, twee laat gewonnen grieken -
zien wij het dal nog vochtig van den dauw,
de heuvels flank na flank bezaaid met mozaïeken.

Een stier, verbolgen op het roestig kettingband,
koelt in het gras zijn woede met geveld horens,
hij steigert wild, zijn kop is scheerlings aan den rand
der aarde, waar Maastricht zweeft in een woud van torens.

De mergelkerk, de witte hoeven en de beek,
de populieren waar de zoete wind bleef zingen -
ik wil hier liggen en beminnen tot de streek
zich in mijn allerlaatste vezel neer zal wringen.

Verbonden met de zee, verbonden met het land -
wij leven onvergankelijk in dezelfde lente.
Der wereld wanhoop weifelt, schrik neemt overhand -
wij zijn gehoorzaam aan de goede elementen.
HOME I MISSIE I PROJECTEN I BOEKWINKEL I PARTNERS I
CONTACT
Terug naar boekwinkel
STICHTING
ACHTERLAND