De dijk (C.S. Adama van Scheltema)


Fragment

Tussen de Betuwe en tussen de Veluwe
Daar lag de dijk door het waterig land
Als iets waaraan niets was te veranderen: –
De koeien en de kikkers aan de ene kant
En de zilveren vissen aan de andere;
Zo bleven zij ieder in hun element,
Daar was dan ook ieder al lang aan gewend
Daar tussen de Betuwe en tussen de Veluwe.

En ónder aan de dijk daar glommen de blommen: –
Die zwierden en tierden maar overal,
Die stonden te bloze' en te bloeien,
Die knikten en knakte', en die lachten maar al
Om die klapperdekakkende koeien;
En de koeien, die tilden hun steerten op
En zagen nadenkende uit hunne kop, –
Ja, ónder aan de dijk daar glommen de blommen!

[...] En benéde' aan de dijk daar had je het stadje: –
Dat lag daar zo kluchtig, zo klein en zo rein,
Als was 't maar een hapje, een stapje –
Dat kon eigenlijk wel eens niet anders zijn
Dan een echt-Hollands schildersgrapje!
Maar van de toren is dat niet gezegd,
Want de ouwe toren was zeker echt! –
Ja, benéde' aan de dijk daar had je het stadje!

HOME I MISSIE I PROJECTEN I BOEKWINKEL I PARTNERS I
CONTACT
Terug naar boekwinkel
STICHTING
ACHTERLAND